De eerste gitaarakkoorden: acht open grepen waarmee je honderden liedjes speelt
Er bestaat een klein geheim dat elke gitaardocent kent en elke beginner zou moeten horen: met acht open akkoorden speel je de begeleiding van honderden liedjes. Niet ongeveer honderd — honderden. Popmuziek, folk, campfire-klassiekers: het overgrote deel leunt op steeds dezelfde handvol grepen.
Wat is een open akkoord eigenlijk?
Een akkoord is een groepje van minstens drie tonen dat samen klinkt. Open akkoorden heten zo omdat er naast de ingedrukte snaren ook losse, open snaren meeklinken. Ze liggen allemaal in de eerste drie frets, vragen geen barré, en klinken vol dankzij die meezingende open snaren. Perfect beginnersmateriaal dus.
De acht grepen
Dit is het rijtje waarmee ik vrijwel elke leerling laat starten, ruwweg in volgorde van moeilijkheid:
- Em — twee vingers, het makkelijkste akkoord dat er bestaat
- E — één vinger erbij en het klinkt meteen groots
- Am — hetzelfde vormpje als E, één snaar opgeschoven
- A — drie vingers dicht bij elkaar in fret twee
- D — klein driehoekje op de dunste drie snaren
- Dm — het melancholische broertje van D
- C — de eerste échte spreidgreep, even doorbijten
- G — grote greep over alle snaren, maar o zo veelgebruikt
Met Em, E, Am en A ben je er na een week of twee. C en G vragen meer geduld — dat is bij iedereen zo, dus laat je niet ontmoedigen als juist die twee blijven kraken en ploppen.
Zuiver leren drukken
Drie aandachtspunten lossen negentig procent van de valse noten op. Druk vlak achter de fret, niet erbovenop en niet halverwege het vak — dat scheelt kracht én gezoem. Zet je vingers steil neer, op de toppen, zodat ze de buursnaren niet dempen; je duim laag achter de hals helpt daarbij enorm. En controleer elk nieuw akkoord snaar voor snaar: tokkel de zes snaren één voor één en spoor de doffe of zoemende op. Meestal is één millimeter opschuiven genoeg.
Op een klassieke gitaar liggen de snaren trouwens iets verder uit elkaar, en dat maakt schone grepen aanleren net wat makkelijker; op een westerngitaar duwen de stalen snaren wat strakker terug. Beide prima — het verschil verdwijnt met de weken.
De echte horde: wisselen
Akkoorden kunnen is één ding; er soepel tussen wisselen is het echte werk, en hier haken de meeste zelfstudie-beginners af. Mijn aanpak in de les: kies twee akkoorden, bijvoorbeeld Em en Am, en wissel een minuut lang heen en weer op een langzame tel. Niet sneller gaan dan foutloos lukt — het tempo komt vanzelf, precisie eerst.
Twee versnellers die echt werken. Zoek ankervingers: vingers die bij beide akkoorden op dezelfde plek blijven staan (van Am naar C hoeven er maar twee te verhuizen). En til de hele greep als één vormpje op in plaats van vinger voor vinger te verhuizen — denk in stempels, niet in stapjes.
Van grepen naar muziek
Zodra drie akkoorden wisselbaar zijn, ga je liedjes spelen. Niet eerst alles perfectioneren: een simpel nummer met G, D en Em, rustig meegeteld, leert je meer dan een week droge wisseloefeningen. Het ritme in je rechterhand mag in het begin gewoon één neerwaartse slag per tel zijn. Muziek maken met weinig middelen is precies waar deze acht grepen voor bedoeld zijn.
En daarna? Daarna komen barré-akkoorden, septiemen en de rest van het gereedschap. Maar dat is huiswerk voor later. Eerst deze acht — en de honderden liedjes die erop wachten.